uitgevers

ArcheologischePers


publishers


Ontwikkeling van mechanische drijfkracht
voor het fabrieksbedrijf

Auteur: Den Ouden

Na 1700 voldeden de klassieke energiebronnen (mens-, dier-, wind- en waterkracht) niet langer aan de eisen van de nijverheid. Ze waren te kleinschalig en onbetrouwbaar. De wind varieerde te veel; waterkracht was zelden op de gewenste plaats beschikbaar. Krachtoverbrenging, bij­voorbeeld met stangenkunsten was dan onmisbaar; doch hoogst inefficient.

Men zocht dus naar krachtbronnen die betrouwbaar energie konden opwekken op de plaats waar deze nodig was.

Dat lukte met steenkool en stoommachines; en dan ook nog eens in voorheen ongekend grote hoeveelheden. Water werd in ketels omgezet tot stoom onder druk. Deze bracht bij expansie in stoommachines de werk­tuigen van een fabriekje in beweging.

Een andere brandstof was gas. Verbrandingsmotoren konden hieruit de chemisch gebonden energie vrijmaken en omzetten in mechanische energie (beweging). De eerste gasmotoren liepen niet op natuurlijk voor­komend gas (aardgas), maar op lichtgas, dat in speciale gasfabrieken uit steenkool werd gewonnen. Dit was oorspronkelijk bedoeld voor verlichtingsdoeleinden, maar het bleek ook heel geschikt voor gasmotoren. Zo geschikt dat er alsmaar grotere gasfabrieken gebouwd moesten worden. Die zijn alle weer gesloopt na de vondst van aardgas.

Verticale Dieselmotor voor fabrieksgebruik

verticale Dieselmotor voor fabrieksgebruik

Olie (en zijn derivaten petroleum en benzine) bleken als brandstoffen een nog groter potentieel te bieden. Zij maken mobiel gebruik mogelijk want je bent niet gebonden aan een stoom- of gasleiding .... Olie-, petroleum- en benzinemotoren zijn qua constructie bovendien relatief eenvoudig en goedkoop te bouwen. De investering in bijvoorbeeld stoomketels was vele malen groter.

Tijdens de Industriele Revolutie nam de vraag naar vrijwel onbeperkte hoeveelheden drijfkracht waanzinnig snel toe. Dus werden er voor de nijverheid en industrie steeds grotere motoren en stoommachines geconstrueerd. Hun drijfkracht werd verdeeld over het bedrijf middels uitgebreide systemen van drijfwerkassen en riemen. Hoe groter de motor of stoommachine, hoe hoger de efficiency van de energieopwekking. Maar .... hoe groter het distributie-drijfwerk, hoe meer energieverlies. Steeds sterker bleek dat het zelf - locaal - opwekken van de steeds toenemende behoefte aan drijfkracht binnen een bedrijf niet langer verstandig was.

En er was inmiddels een alternatief tot ontwikkeling gekomen: elektriciteit. Deze kan in zeer grote centrales opgewekt worden en met slechts zeer geringe verliezen over zeer grote afstanden getransporteerd worden. Zo werd dit probleem op elegante wijze opgelost.

En kwam een van de oudste energiebronnen - waterkracht - weer opnieuw in gebruik, als "witte steenkool". Daar waar onvoldoende waterkracht beschikbaar was, werden met "zwarte steenkool" gestookte elektrische centrales neergezet. Veel duurder, omdat de winning van steenkool veel meer inspanning vergt dan water .... Steenkool werd in de meeste centrales verdrongen door - in eerste instantie - stookolie en - later - aardgas.


eerste uitgave / first published type medium dim. omvang / extent binding prijs / price
1985 nieuw / new boek / book A5 50 pp - 34 illus paperback € 10,00
hardcover € 20,00