uitgevers

ArcheologischePers


publishers


De perfectionering van de fabrieksstoommachine

Den Ouden

Er is weinig gepubliceerd over de technische ontwikkeling van de stoommachine in de periode van zeg 1830 tot 1950. Toch voltrok zich in deze periode een fenomenale technische evolutie. Twee drijvende krachten zijn achter die evolutie te onderscheiden: "beter en slimmer" (de ingenieur) en "zuiniger en goedkoper" (de fabriekseigenaar). Dit boek bespreekt beide aspekten.

Meyer klepbeweging

Allereerst worden de hoofdontwikkelingen in de technische verbetering op een rij gezet en besproken. Daarbij passeren de revue: de keuze voor enkel- of dubbelwerkend; gunstigste zuigersnelheid en toerental van de krukas; horizontaal vs. verticaal bouwen; hoe sterk expansief werken; wel of niet condenseren van de afgewerkte stoom; expansie in één cilinder of in meerdere achtereen; vol-automatisch reguleren van de machine door middel van verandering van de vullingsgraad; en de gunstigste stoomverdelingsorganen (vlakke schuif, zuigerschuif, kleppen, kranen). Steeds worden de argumenten pro en contra afgewogen om na te gaan waarom bepaalde constructieve opvattingen uiteindelijk bijna universeel aanvaard werden.

Vervolgens worden de economische overwegingen onder de loep genomen. Het hiervoor gebruikte criterium is het specifiek stoomverbruik (kg stoom per pk-uur). Op de invloed van de ketelinstallatie en het stoken wordt in deze tekst niet ingegaan. Factoren die een grote rol spelen bij het verlagen van het specifiek stoomverbruik van een machine zijn: meervoudige expansie in opvolgende cilinders; oververhitte stoom in plaats van verzadigde; en de gelijkstroom-constructie van de stoommachine. Opvallend is, dat oververhitte stoom in de fabriek nooit erg is aangeslagen - dat was meer iets voor grote centrales, voor gebruik in turbines.

In een afsluitend hoofdstuk wordt nagegaan waarom, in de jaren 1930-1950, de stoommachine volledig werd verdrongen door andere wijzen van drijfkracht-opwekking (verbrandingsmotoren, elektromotoren).